Hoge Raad buigt zich over bevoegdheid in JPY LIBOR manipulatiezaak
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 uitspraken gedaan over de bevoegdheid in een collectieve actie rond de manipulatie van de JPY LIBOR rentebenchmark.
De hoogste rechter heeft zich gebogen over de internationale bevoegdheid in een zaak die voortkomt uit de manipulatie van de JPY LIBOR rentebenchmark. De uitspraken, gedaan op 17 juli 2026, gaan in op de toepassing van internationaal privaatrecht en de bevoegdheidsregels die gelden bij grensoverschrijdende collectieve acties.
Centraal in de jurisprudentie staan verwijzingen naar artikel 8 sub 1 van Verordening Brussel I-bis en artikel 6 sub 1 van EVEX II. Ook artikel 7 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat de forumkeuze bij een zelfde situatie regelt, is van belang. De Hoge Raad beoordeelt hierbij de voorzienbaarheid van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
De zaak betreft een collectieve actie waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd met betrekking tot de vermeende manipulatie van de JPY LIBOR rentebenchmark. Daarbij wordt gekeken naar de ontvankelijkheidseisen zoals gesteld in artikel 3:305a (oud) van het Burgerlijk Wetboek. De bundelbaarheid van de belangen van de betrokkenen en het toepasselijk recht spelen een rol in de beoordeling.
De uitspraken gaan verder in op de vraag of er sprake is van eenzelfde situatie, zowel feitelijk als rechtens. Tevens wordt een uitzondering op het verbod van terugwijzing in collectieve acties op voet van artikel 3:305a (oud) BW besproken.
De specifieke uitkomst van de collectieve acties, de namen van de betrokken partijen, de exacte datum van de manipulatie, en de hoogte van eventuele schadeclaims zijn nog niet bekend. Ook de precieze redenen die hebben geleid tot de bevoegdheidskwesties zijn nog niet openbaar gemaakt. Deze uitspraken kunnen echter precedentwerking hebben voor toekomstige collectieve acties in Nederland, met name op het gebied van financieel recht en internationaal privaatrecht.


