Hoge Raad buigt zich over bewindvoerdersloon bij cliëntverhuizing
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen behandeld over de vergoeding voor bewindvoerders bij verhuizingen van rechthebbenden. De uitkomst is nog niet bekend.
De hoogste rechter in Nederland heeft zich gebogen over de vraag of bewindvoerders recht hebben op een vergoeding voor werkzaamheden die verband houden met de verhuizing van een rechthebbende. Dit betreft specifiek de toepassing van artikel 3, lid 5, aanhef en onder b, van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, dat gaat over beschermingsbewind.
De prejudiciële vragen, die op 17 juli 2026 zijn behandeld, onderzoeken of de werkzaamheden rond een verhuizing van een rechthebbende vergoed moeten worden. Daarnaast wordt de vraag gesteld of de rechthebbende in zo'n situatie als belanghebbende kan worden aangemerkt. De uitspraak van de Hoge Raad in deze zaken, met ECLI-nummers die verwijzen naar de zaken 26/00083 en 25/04267, wordt afgewacht.
Deze juridische kwestie is van belang voor de financiële afwikkeling binnen beschermingsbewinden. Het kan consequenties hebben voor de kosten die rechthebbenden moeten dragen en de inkomsten die bewindvoerders kunnen genereren voor specifieke taken. De precieze details van de verhuizingen en de identiteit van de betrokkenen zijn niet bekendgemaakt.

