Hoge Raad buigt zich over passivering van voorwaardelijke betalingen en valutaresultaten
De Hoge Raad heeft op 13 maart 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de vennootschapsbelasting.
Op 13 maart 2026 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan met nummer ECLI:NL:HR:2026:397, inzake zaaknummer 23/04451. Deze uitspraak richt zich op de vennootschapsbelasting en heeft betrekking op de passivering van voorwaardelijke betalingsverplichtingen, oprentingslasten en valutaresultaten. De zaak is behandeld onder artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en raakt ook de artikelen 3.8 en 3.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De specifieke inhoud van de uitspraak, de betrokken partijen en de precieze juridische redenering van de hoogste rechter zijn op dit moment nog niet bekend. Deze uitspraak kan echter aanzienlijke implicaties hebben voor Nederlandse bedrijven en belastingadviseurs, met name wat betreft de fiscale behandeling van bepaalde financiële verplichtingen en resultaten.

