Hoge Raad buigt zich over grenzen inzagerecht na bewijsbeslag
De Hoge Raad heeft op 13 maart 2026 een uitspraak gedaan die de grenzen van het inzagerecht na een bewijsbeslag verduidelijkt.
De hoogste rechter heeft zich gebogen over een zaak met kenmerk ECLI:NL:HR:2026:413 en zaaknummer 25/01398, waarin het proces- en bewijsrecht centraal staat. De uitspraak betreft een verzoek tot inzage en afschrift van bescheiden die door middel van een bewijsbeslag zijn verkregen.
Centraal in de zaak stonden klachten over de begrenzing van het inzagerecht. Deze klachten richtten zich onder meer op de beperking van het recht tot inzage tot enkel de stukken die onder het bewijsbeslag vielen. Ook werd geklaagd over een te strikte tijdsbegrenzing van het inzagerecht. Daarnaast speelde een klacht over het miskennen van het recht op inzage in de eigen administratie, waarbij het rechtmatig belang en de voldoende bepaaldheid van het verzoek in het geding waren.
Het verzoek tot inzage en afschrift was gebaseerd op artikel 843a (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De uitspraak is van belang voor juristen, bedrijven en burgers die te maken krijgen met bewijsbeslag en de daaruit voortvloeiende inzagemogelijkheden.



