Rechtbank Noord-Nederland bevestigt werkwijze heffingsambtenaar bij WOZ-waardes
De rechtbank Noord-Nederland heeft een zaak over de WOZ-waarde van een woning afgewezen, omdat de heffingsambtenaar correct heeft gehandeld bij de waardebepaling.
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 25 augustus 2026 geoordeeld dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van een woning correct heeft vastgesteld. De rechter bevestigde de toepassing van oppervlaktes en de KOUDV-factoren (korting, onderhoud, uitstraling, duurzaamheid, voorzieningen) door de ambtenaar. Ook de selectie van referentiewoningen voldeed aan de eisen, wat betekent dat deze als voldoende vergelijkbaar werden beschouwd.
De zaak, met zaaknummer LEE 24/4282, draaide om de vraag of de vastgestelde WOZ-beschikking voldeed aan de wettelijke eisen, specifiek artikel 17, lid 2 van de Wet WOZ. De belanghebbende had bezwaren geuit over de correctheid van de vaststelling en de gelijke behandeling met andere woningen. De rechtbank oordeelde echter dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden en dat de vastgestelde waarde niet te hoog was.
De specifieke locatie van de woning, de exacte WOZ-waarde, de identiteit van de heffingsambtenaar en de precieze redenen van de belanghebbende om de waarde aan te vechten, zijn uit de beschikbare informatie niet te herleiden. Hierdoor blijft de concrete impact van deze specifieke uitspraak beperkt tot de bevestiging van de gehanteerde methodiek.
WOZ-waarden zijn van belang voor lokale belastingen zoals gemeentelijke en waterschapsheffingen, die huiseigenaren en huurders in Nederland raken.


