Rechtbank Den Haag wijst asiel- en migratieberoepen af
De Rechtbank Den Haag heeft op 9 september 2026 in meerdere zaken asielzoekers en migranten teruggestuurd naar hun land van herkomst.
De rechtbank in Den Haag heeft op woensdag 9 september 2026 uitspraak gedaan in meerdere beroepszaken met betrekking tot asiel en migratie. In een zaak waarbij een asielzoeker uit Syrië betrokken was, werd het beroep ongegrond verklaard. Een verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen, omdat er reeds een beslissing was genomen op het bijbehorende beroep.
In een andere zaak, die betrekking had op een migrant uit Iran, werd een reguliere verblijfsvergunning definitief geweigerd. Deze afwijzing volgde na een periode van studie en een zoekjaar. De eiser had geprobeerd een verblijfsvergunning te verkrijgen op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), vanwege persoonlijke betrekkingen met een zoon. De rechtbank oordeelde echter dat de belangenafweging in dit geval niet in het voordeel van de eiser uitviel. De rechtbank stelde dat persoonlijke betrekkingen ook buiten Nederland kunnen worden ingevuld. Het beroep van de Iraanse migrant werd daarom eveneens ongegrond verklaard.
De precieze redenen die hebben geleid tot de afwijzing van de verblijfsvergunning in de Iraanse zaak, buiten het feit dat deze volgde op studie en een zoekjaar, zijn nog niet volledig duidelijk. Ook de identiteit van de betrokkenen en de exacte tijdsstippen van de uitspraken zijn nog niet bevestigd.


