Gerechtshof Den Haag doet uitspraak in transfer pricing zaken over kredietfaciliteiten
Het Gerechtshof Den Haag heeft uitspraken gedaan in meerdere complexe zaken rondom transfer pricing en kredietfaciliteiten met 'headroom'.
Het Gerechtshof Den Haag heeft zich gebogen over zaken die betrekking hebben op artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, specifiek met betrekking tot transfer pricing en kredietfaciliteiten die 'headroom' bevatten. Deze uitspraken, met ECLI's beginnend met GHDHA:2026 en GHDHA:2025, zijn van belang voor internationaal opererende Nederlandse bedrijven.
De kern van de geschillen ligt bij de toetsing van de vergoedingen voor deze kredietfaciliteiten aan het 'at arm's length-beginsel'. Dit beginsel vereist dat transacties tussen gelieerde ondernemingen tegen marktconforme voorwaarden plaatsvinden. Het Hof oordeelt dat bij deze toetsing de totale-kostenbenadering gehanteerd mag worden. Daarbij wordt uitgegaan van een ex-ante invulling, wat betekent dat de beoordeling plaatsvindt op basis van de situatie op het moment dat de afspraken werden gemaakt.
Specifiek met betrekking tot de 'headroom' – het deel van de kredietfaciliteit dat niet direct wordt opgenomen – stelt het Hof dat deze op zichzelf beschouwd niet onzakelijk is en niet als een schijnhandeling kan worden aangemerkt. Er is sprake van variabele rente over de daadwerkelijk verstrekte bedragen, aangevuld met 'commitment fees' over de totale omvang van de faciliteiten.
Een van de uitspraken betreft een tussenuitspraak. De zaken BK-23/836 tot en met BK-23/840 en BK-23/845 tot en met BK-23/849 zijn behandeld. De precieze uitkomst van de zaken en de specifieke details van de forward rente zijn nog niet bekendgemaakt.




